In de ggz werken steeds meer ervaringsdeskundigen. Vanuit hun professionaliteit – ze zijn hiervoor opgeleid – én vanuit hun eigen ervaring zijn ze met mensen in gesprek of dragen ze op andere manieren bij aan herstel. Die eigen ervaring is belangrijk: het doet goed als iemand vanuit het eigen leven weet hoe diep het bij jou gaat, hoe moeilijk of ellendig het is. Vanuit de herkenning merk je: ik ben de enige niet, ik ben niet raar. Maar ook: het kan beter worden, er is hoop, kijk maar.
Herkenning en erkenning is er ook op andere manieren, zoals in lotgenotengroepen. Een tijdje terug was ik bij zo’n bijeenkomst, georganiseerd door Stichting Ik was een kind. Het was indrukwekkend om stukjes van verhalen te horen van mensen die (als kind) misbruik en geweld hebben meegemaakt. En om te merken hoe een paar woorden van de ene persoon een wereld aan gedeelde ervaringen kan oproepen, en hoe helend het is als je iets van je worsteling kunt delen met mensen die het van binnenuit begrijpen.
Schokkend vond ik de bijeenkomst ook. Iemand vertelde over een reactie die zij van haar omgeving had gehad toen ze vertelde door haar vader misbruikt te zijn. „Nee, dat kan niet, dat doet hij niet” kreeg ze te horen. Een groot deel van de aanwezigen (vrouwen én mannen) herkende dat. Zij kregen zulke reacties ook.
Ik stond perplex: serieus? Zeggen we dit in 2026 nog steeds tegen elkaar in Nederland?
Terwijl we het gesprek over vroegkinderlijk misbruik, verwaarlozing, en huiselijk geweld al jaren voeren? Terwijl er steeds opnieuw over verteld en geschreven wordt, er van alles over bekend is. We weten dus heel goed – of we kunnen dat weten – dat de meeste daders geen monsters zijn, maar overkomen als keurige mensen. Vaak doen ze allerlei goeds, soms zijn ze gerespecteerde ambtsdragers. We weten ook heel goed dat er bij gezinnen die voorbeeldig lijken toch van alles achter de voordeur kan spelen wat diep droevig is. En inmiddels hebben we vaak genoeg gehoord dat een reactie van ongeloof enorm traumatiserend is voor de vrouw of man die het voor de kiezen krijgt. Secundair trauma noemen we dat in de psychologie, of zelfs ‘second rape’, tweede verkrachting.
Immers, wanneer je leven jarenlang gestempeld is door onveiligheid en je beschadigd bent in het diepst van je wezen door mensen die je hadden moeten beschermen, als liefde vermengd is geraakt met angst en pijn en dat laatste de overhand heeft gekregen – dan dreunt zo’n reactie van ongeloof en ontkenning gigantisch door. Als je eindelijk de moed gevonden hebt om dit vreselijke, wat je leven in zekere zin ruïneert, en waarvoor je je vaak ook enorm schaamt, ter sprake te brengen, en je hoort „nee hoor, dat kan niet waar zijn”, dan verdwijnt de grond opnieuw onder je voeten.
Natuurlijk weet ik wel waar zo’n reactie van ongeloof vandaan komt. Ontkenning heeft altijd een functie.
Het is onvoorstelbaar en onverteerbaar dat mensen (hun eigen) kinderen zoveel gruwelijks aandoen. Het voelt onveilig als iemand van wie je dacht dat-ie door en door te vertrouwen was dat niet blijkt te zijn. Het kwaad ontkennen we liever dan dat we het recht in de ogen kijken – dat kan ook raken aan onze eigen pijn, of hevig schudden aan ons mensbeeld, wereldbeeld en zelfs godsbeeld. Er spelen groepsbelangen een rol. En zo kunnen we nog even doorgaan. Maar een verklaring is geen excuus. Er is geen goede reden om je eigen moeite of veiligheid voorrang te geven ten koste van een ander.
Dus laten we afspreken dat we de tekst „nee hoor, dat doet hij niet” of „nee, dat kan niet waar zijn” vanaf nu definitief uit ons vocabulaire schrappen
Laten we in plaats daarvan de ander erkenning bieden, of we nu lotgenoot of ervaringsdeskundig zijn of niet: „joh, wat erg voor je”. En bijdragen aan een veilige ruimte waarin het er wél over mag gaan.
Deze blog is geschreven door Hanneke Schaap- Jonker en verscheen eerder in het RD
Hanneke is psycholoog, theoloog en hoogleraar klinische godsdienstpsychologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is ze rector van het Kennisinstituut christelijke ggz (Kicg).