In mijn jongere jaren kreeg ik een waslijst aan diagnoses: depressie, psychotische stoornis, persoonlijkheidsstoornis, OCD… en zo kan ik nog wel even doorgaan.
De vraag was niet óf ik ziek was, maar welk etiket het beste paste bij mijn ‘afwijkende’ gedrag.
Jaren later bleek: ik was niet ziek.
Mijn gedrag, hoe vreemd het ook leek, was een normale reactie op een uiterst abnormale situatie.
Ik was gezond, maar gewond.
Ja, ik beschadigde mezelf. Vertrouwde niemand. Sloeg soms door. Voelde me compleet vervreemd van de wereld en het leven.
Dat was geen stoornis. Dat was overleving.
Ik was niet gek, maar getriggerd.
Niet onwillig, maar overspoeld.
Niet ziek, maar getraumatiseerd.
Als we overlevingsgedrag labelen met DSM-diagnoses, gaat er iets fundamenteel mis.
We pathologiseren dan de taal van het lichaam, dat zich in al zijn wijsheid probeert te beschermen.
Dissociatie, pleasen, controle, agressie, emotionele afvlakking: het zijn geen willekeurige symptomen, maar signalen van een lichaam en geest die zich aanpassen aan onveiligheid.
Dat afdoen met een diagnose klinkt alsof we zeggen: ‘Er is iets mis met jou.’
We leren mensen geloven dat zij het probleem zijn. Niet zelden met extra lijden tot gevolg.
Traumasensitief werken is geen luxe, maar noodzaak.
Herstel begint wanneer we de focus verleggen van diagnostisering naar nabijheid. Naar écht zien en werkelijk horen.
Herstel vraagt om veiligheid.
Om erkenning.
En om belichaamde aanwezigheid.
Deze blog is geschreven door Anneloes van ’t Licht, oprichter van Stichting Ik was een kind.